BBTK > Nieuws > 125 jaar BBTK, 125 jaar solidariteit

20-9-2017 13:39 Afdrukken

125 jaar BBTK, 125 jaar solidariteit

 

Dit jaar viert de BBTK zijn 125ste verjaardag. Precies vijf kwarteeuwen geleden werd in Brussel de kiem van een vakbondsafdeling gelegd. Sindsdien werd heel wat sociale vooruitgang geboekt. De situatie van werkgevers en werknemers in 2017 valt in niets nog te vergelijken met 1892. Ook onze vakorganisatie is mee geëvolueerd. Ze kende moeilijkheden, nederlagen, uitdagingen, kleine en grote overwinningen. Wat diep in de genen van onze vakbond zit, was toen en is nu nog altijd in ieder van ons aanwezig. Het valt in één woord samen te vatten: solidariteit!

In de komende nummers van De Nieuwe Werker besteden we de nodige aandacht aan die heuglijke mijlpaal. We kijken even terug naar vroeger, belichten enkele belangrijke strijdmomenten en grote gebeurtenissen, laten voormalige afgevaardigden aan het woord, overlopen welke uitdagingen ons vandaag te wachten staan en welke weg we nog moeten afleggen. Om deze speciale rubriek ‘125 jaar’ te openen, blikken we even terug op de boeiendste momenten uit onze sociale en syndicale geschiedenis tot de jaren 1970…


1892: de eerste bediendenvakbond

De eerste vakbonden doen al van 1860 hun intrede maar verenigen vooral arbeiders uit de grote industriebekkens. In de bedrijven neemt ook het aantal bedienden hand over hand toe (handel, kantoren, werkplaatsen, enz.). Net als de arbeiders hebben ook zij te lijden onder loodzware werkomstandigheden: bijzonder lage lonen, onophoudelijke werkdruk, lastige uurroosters (tien tot twaalf uur per dag) en een ongezonde werkomgeving. Bij ziekte volgt gegarandeerd ontslag. In geval van vertraging, fouten of problemen houdt de baas meteen loon in of wordt personeel de laan uitgestuurd. 


Beetje bij beetje groeit het onbehagen ook bij deze werknemerscategorie. In 1892 beslist een groep bedienden in Brussel om zich te verenigen voor de verdediging van de rechten van boekhouders, kassiers, handelsreizigers, klerken, ontvangers, magazijniers en nog vele anderen. In de krant Le Peuple doen ze een oproep om leden te werven. Op enkele dagen tijd boeken ze een groot succes en is de eerste bediendenvakbond een feit. Deze beslist om het programma van de Belgische Werkliedenpartij (BWP, zelf opgericht in 1885) goed te keuren en zich erbij aan te sluiten.


In 1895 wordt het ministerie van arbeid opgericht en wordt een pensioenwet ingevoerd. Later volgen nog andere belangrijke wetten (onder meer over arbeidsongevallen, zondagsrust en de verplichte verzekering). Die wetten bestaan dan wel op papier, toch vergt het nog heel wat strijd alvorens ze echt in de bedrijven toegepast en door de werkgevers nageleefd worden.


De snelle groei van de vakbondsafdelingen

In de jaren die volgen worden er zowat overal in Wallonië lokale afdelingen van bediendenbonden opgericht (onder meer in Luik, Verviers, La Louvière, Charleroi en Bergen). Na de Eerste Wereldoorlog gaat de regionale expansie verder en zien nieuwe afdelingen het licht in Vlaanderen, eerst in Antwerpen in Gent, later in Leuven en Oostende. Zo krijgt de beweging overal in België stilaan gestructureerd vorm en breidt ze snel uit.


In 1920 stelt het nationaal bediendencongres op initiatief van de bediendenvakbond van Brussel voor om een nieuwe centrale op te richten, de Algemene Bond der Bedienden, Magazijniers, Technici en Handelsreizigers van België. De centrale telt zo’n 12.000 leden.


Het is de tijd van heel wat fundamentele sociale verwezenlijkingen, zoals de achturendag, de arbeidsovereenkomst, de invoering van jaarlijkse vakantie en het wettelijk pensioen voor bedienden.


Van de eerste paritaire comités tot echt sociaal overleg

In 1936 worden de eerste paritaire comités opgericht. Eerst in de banksector, na een resem stakingen, later ook voor bijvoorbeeld de apothekersassistenten. Ze bestaan dan wel maar leveren niet veel concrete resultaten op, want de werkgevers staan zeer weigerachtig tegenover de sociale dialoog en de vakbondsvoorstellen.


Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakt plots een einde aan alle vakbondsactiviteiten in ons land. De syndicale strijd wordt clandestien gevoerd.


Na de oorlog beginnen de socialistische vakbonden aan hun heropbouw. In 1945 komt het ‘fusiecongres’ samen en wordt een gloednieuwe vakbond opgericht: het ABVV. Eén van de centrales die deel uitmaken van de nieuwe vakbond is die van de bedienden uit de privésector: de BBTK (Bond van Bedienden, Technici en Kaderleden). Deze vertegenwoordigt de meeste sectoren die we vandaag nog kennen: handel, industrie, sociale werken en gezondheidszorg, financiën en diverse instellingen.


Vervolgens krijgt het democratisch sociaal overleg geleidelijk aan concreet vorm. In juli 1946 regelt een koninklijk besluit de oprichting van 40 paritaire comités voor de arbeiders en één enkel paritair comité voor de bedienden (het NPCB).


Minimumrechten en grote sociale verwezenlijkingen

Het eerste werk van dit paritair comité is de ondertekening van een nationaal akkoord dat de algemene regels voor de arbeids- en loonvoorwaarden van bedienden vastlegt. Die maatregelen vormen het verplichte minimum dat als basis moet dienen in de sectoren en bedrijven. Het is een belangrijke stap voorwaarts omdat het de opstap is naar de ontwikkeling van een vakbondswerking op sectoraal niveau. In de bedrijven worden ondernemingsraden en comités voor ‘veiligheid en gezondheid’ ingevoerd. Tegelijk neemt ook het aantal militanten toe.


Later worden geleidelijk pc’s per sector ingesteld: voor de industrie, de metaalverwerking, de banken, de verzekeringen, de grootwarenhuizen, de gezondheidszorg.


Tot het einde van de jaren ‘60 wordt de sociale dialoog verder ontwikkeld. Een aantal syndicale verworvenheden verbetert geleidelijk de situatie van de werknemers in het algemeen en van de bedienden in het bijzonder. De voornaamste realisatie is de oprichting van ons stelsel van sociale zekerheid. Er wordt ook heel wat vooruitgang geboekt op het vlak van de arbeidsovereenkomsten, de opzegregeling, het educatief verlof, de jaarlijkse vakantie, de lonen (gewaarborgd minimumloon, 13de maand) en de arbeidsduurvermindering.


Vanaf de jaren ‘70 moet de BBTK zich, net als andere vakbonden, schrap zetten tegen de industriële crisis. Er volgen heel wat herstructureringen en bedrijfssluitingen. De BBTK is op dat ogenblik de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de formule van brugpensioen, wat de rampzalige sociale gevolgen voor oudere werknemers heeft kunnen verlichten.
De BBTK heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de vooruitgang op het vlak van arbeidsduurvermindering. De handelssector vervulde hier de rol van koploper. Van de bij wet geregelde 48-urenweek na WO II over de 45 uren op het einde van de jaren ‘50 werd in de jaren ’60 de 40-urenweek bereikt.

Share/Bookmark