Sectoronderhandelingen in de voedingsindustrie afgesprongen

Op maandag 5 oktober hebben de bediendevakbonden van de voedingsindustrie op het Ministerie van Werk twee keer het deksel op de neus gekregen. Op deze als ‘ultiem’ aangekondigde overlegronde van het PC 220 weigerde de werkgeversfederatie FEVIA eerst om de toepassing van het interprofessioneel akkoord van december 2009 als een volwaardig dossier te beschouwen. En vervolgens moesten we vaststellen dat de werkgevers geen respect wilden opbrengen voor het gezag van de voorzitter van het paritair comité: zijn compromisvoorstel werd bot afgewezen.
Op die manier laat FEVIA zijn minachting blijken voor de zowat 38.000 werknemers in de sector en brengen de werkgevers de sociale vrede in gevaar. De economische crisis kan zeker niet de reden zijn want de sector is een van de weinige industriële bedrijfstakken die daarvan gespaard is gebleven.
Voor de BBTK en de andere betrokken vakbonden is het onaanvaardbaar dat de concrete uitwerking van de enveloppe die voorzien is in het interprofessioneel akkoord (€ 125 in 2009 en € 250 in 2010) gekoppeld wordt aan een door FEVIA koppig naar voren geschoven systeem voor het vervangen van de leeftijdsbarema’s. (Er lag nochtans een resultaat op tafel dat behalve de invulling van de IPA-enveloppe ook de oprichting van een sectorale tweede pensioenpeiler en een verhoging van de syndicale premie inhield).
De voorwaarden die de werkgevers eenzijdig bedacht hebben voor de omzetting van leeftijd- naar ervaringsbarema’s, voorwaarden waar zij niet over willen onderhandelen, dreigen de mobiliteit van de werknemers binnen en buiten de sector fors af te remmen. Bovendien is hun stelsel weinig transparant en blokkeert het de loonprogressie van de werknemers na 9 jaar; een van de nadelige effecten daarvan is dat het systeem neerkomt op een loonvermindering voor de oudste bedienden.
Dit soort chantage en koppeling van onderhandelingsdossiers kan voor ons niet door de beugel. Bij gebrek aan sectorakkoord zullen de bedienden in de kleine en middelgrote voedingsbedrijven (zowat de helft van de betrokken werknemers) niet kunnen rekenen op de beoogde sectorale voordelen. In de grotere ondernemingen zijn de bedrijfsonderhandelingen intussen begonnen.